Open vuren op Unesco-lijst. Brief aan Jet Bussemaker, minister van OCW

De Stichting Houtrookvrij ijvert voor het terugdringen van overlast door uitstoot van gevaarlijke stoffen als gevolg van het gebruik van houtkachels, allesbranders, open haarden, vuurkorven, barbecues en aanverwante installaties binnenshuis en in de open lucht. Wij menen dat burgers recht hebben op schone en gezonde lucht, in het bijzonder in en rond de eigen woning. Ook verzet de Stichting zich tegen het toenemend aantal verbrandingen in de open lucht, waaronder vreugdevuren en paasvuren.

Daarom willen wij hierbij protest aantekenen tegen het feit dat vier grote vreugdevuren, en sinds kort het paasvuur van Espelo zijn opgenomen op de Unesco-lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed.

De Stichting Houtrookvrij werkt samen met het Longfonds en is gesprekspartner in het door de Rijksoverheid in het leven geroepen Platform Houtrook en Gezondheid. Dit Platform heeft tot doel gezondheidsschade door houtrook te voorkomen en te verminderen. In dit Platform hebben o.a. ook GGD’s en milieuorganisaties zitting.

Open vuren zijn schadelijk voor gezondheid en milieu

De laatste jaren neemt het aantal open vuren schrikbarend toe, evenals de grootte ervan. Van een gezellige samenkomst van dorpsgenoten is het b.v. het paasvuur van Espelo uitgegroeid tot een competitie en een toeristisch evenement, dat honderden mensen op de been brengt. Men laat containers met afvalhout van heinde en ver aanrukken en maakt speciale afspraken met Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer om aan enorme hoeveelheden resthout te komen. De laatste jaren bouwt men een bijna 20 meter hoge bult.

Rond de jaarwisseling vinden er daarnaast vele vreugdevuren plaats, zoals het Vreugdevuur Scheveningen, dat eveneens van een lokaal feest tot landelijke proporties is uitgegroeid.

Het beschermen en levend houden van folklore en tradities is een groot goed, maar wanneer we bedenken dat deze vuren een enorme milieuvervuiling met zich meebrengen en een aanslag betekenen op de gezondheid van toeschouwers, rijst toch de vraag of hier sprake is van een traditie die in stand gehouden moet worden.

Het inademen van houtrook beschouwen velen ten onrechte als onschuldig. De samenstelling van houtrook lijkt sterk op die van tabaksrook, en er is voldoende bewijsmateriaal om houtrook in verband te brengen met luchtwegaandoeningen, kanker, vroegtijdige sterfte door hart- en vaatziekten en dementie. Mensen met een longziekte zoals astma of COPD, maar ook kinderen en ouderen, zijn éxtra gevoelig voor houtrook. Ook kortdurende blootstelling heeft gevolgen voor de gezondheid, dit wordt door tal van wetenschappelijke publicaties onderschreven.

 Emissies van houtvuren

Hieronder leest u iets over de stoffen die vrijkomen bij open vuren en over de schaal waar wij over praten. We nemen Espelo als voorbeeld.

Fijnstof (PM10, PM 2.5 en ultrafijnstof)

Bij het paasvuur van Espelo komt ruim 11 ton fijnstof PM10 vrij. Voor fijnstof is geen veilige ondergrens waaronder geen gezondheidseffecten meer optreden. De jaarlijkse ziektelast in de Nederlandse bevolking t.g.v. fijnstof wordt geschat op 120.000 verloren levensjaren. De gezondheidskosten door fijnstof worden becijferd op tenminste 4 miljard euro per jaar. De ultrafijne deeltjes (bij uitstek aanwezig in houtrook) zijn het gevaarlijkst voor de gezondheid, omdat ze diep ingeademd kunnen worden.

In Espelo komen we bij een inhoud van 6000 m3 en 0,15 ton per m3 (https://www.lne.be/sites/default/files/atoms/files/Overzichtstabel%20soortelijk%20gewicht%20afvalstromen.pdf) op 900 ton snoeihout.

Het gaat hier om open verbranding. Volgens de Vlaamse Milieu Maatschappij  (https://www.vmm.be/lucht/infografieken/houtverbranding/view) levert het verbranden van 4 kilo hout in een open haard (onder betere condities dan in open vuur!) al 50 gram fijnstof PM10 op. Dat betekent dus conservatief geschat 11,25 ton fijnstof PM10 voor alléén deze paasbult. Dat komt overeen met 67.500.000 vrachtwagenkilometers, ofwel bijna 1.700 keer de wereld rond.

Is dat nog ‘folklore’?

Andere schadelijke stoffen die vrijkomen:

Roet

Zwarte koolstof of black carbon (BC) vormt een fractie van fijn stof en bestaat voornamelijk uit roetdeeltjes uit onvolledige verbranding. Er zijn aanwijzingen dat BC een belangrijke drager is van allerhande andere schadelijke elementen.

Stikstofoxiden (Nox)

Tijdens het verbrandingsproces ontstaat Nox door oxidatie van organisch gebonden stikstof uit het resthout.

Vluchtige organische stoffen (VOS)

De condities waaronder resthout in de open lucht wordt verbrand zijn niet optimaal. Het resultaat van onvolledige verbranding is een hoge emissie van vluchtige organische stoffen, zoals formaldehyde.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

De belangrijkste PAK’s in houtrook zijn benzo(a)pyreen B(a)P en fluorantheen. Zij zijn bij inademing sterk kankerverwekkend. Ook de asresten bevatten PAK’s en zware metalen, zelfs wanneer alleen onbehandeld hout is verbrand. Deze kunnen verwaaien of uitspoelen in de bodem.

Methaan

Een produkt van onvolledige verbranding. Methaan is schadelijk voor het milieu, omdat het bijdraagt aan het versterkte broeikaseffect. Het is als broeikasgas ongeveer 25 keer zo sterk als CO2.

Dioxines

Uit onderzoek blijkt dat bij het verbranden van schoon en droog snoeihout de Europese emissiegrenswaarde van dioxine voor verbrandingsinstallaties wordt overschreden. Bij nat hout liep de overschrijding zelfs op tot een factor dertig.

Dioxines zijn giftige, slecht afbreekbare stoffen die over grote afstand kunnen worden verspreid. Dioxines stapelen zich op in organismen. Bij mensen kan dit effecten hebben op het immuunsysteem, de hormoonhuishouding, de voortplanting en de neurologische ontwikkeling.

Chroom-6 en andere houtpreserverende chemicaliën

De kans bestaat dat ook nog andere chemische stoffen vrijkomen, omdat met het blote oog niet is te zien of (afval)hout zoals bv. pallets wel of niet is geïmpregneerd.

CO2

Het verbranden van 6000 m3 hout stoot ongeveer 5400 ton CO2 uit. Bij gestapeld snoeihout is dit natuurlijk minder, maar nog steeds aanzienlijk.

Er vonden in 2017 vele honderden paasvuren plaats in Nederland: 116 in Drenthe, 110 in Gelderland, 172 in Overijssel, 12 in Friesland en 33 in Groningen. Verder waren er in Flevoland nog vuren. Dit zijn alleen de aangemelde paasvuren. Deze paasvuren zijn veelal kleiner in omvang dan Espelo. Als we ervan uitgaan dat deze 443 Paasvuren een gemiddelde omvang van 1/3 van de bult van Espelo hebben, dan gaat het over 1661 ton fijnstof PM10. Dit is bijvoorbeeld meer dan de chemische industrie in een heel jaar (1173 ton PM10 in 2016) en zeker meer dan vuurwerk (298 ton).

Is behoud van de ‘traditie’ dat waard?

Het ontheffingenbeleid van de overheid

Medio 2000 was het Ministerie van VROM voornemens om een absoluut stookverbod op open vuren in de Wet Milieubeheer op te nemen, zónder ontheffingsmogelijkheid voor het college van B&W. De VNG maakte zich echter hard voor een ontheffingsmogelijkheid en de Tweede Kamer was het hiermee eens, omdat folkloristische vuren anders niet meer mogelijk zouden zijn. Het is de vraag of men rekening hield met een wildgroei aan gelegenheidsvuren, zoals die momenteel gaande is.

De overheid zelf schrijft m.b.t. dit ontheffingenbeleid: “Het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen (NB snoeihout en afgedankt hout zijn volgens de wet milieubeheer afvalstoffen) gebeurt niet onder ideale omstandigheden. Een onvolledige verbranding door een te lage temperatuur is het gevolg, waardoor er aanzienlijk meer schadelijke stoffen ontstaan. Het betreft NOx, SOx, CO, CO2, CH4, PAK’s, kwik en roet. De uitstoot van deze stoffen neemt met een factor 100 à 1.000 toe in vergelijking met verbranden in een afvalverbrandingsinstallatie. Reden genoeg om een zéér terughoudend ontheffingenbeleid te hanteren.

Samengevat draagt het verbranden van (snoei)hout en afval bij aan milieuproblemen als verzuring, het broeikaseffect, lokale milieuhygiënische gevaren als verspreiding van (sterk) kankerverwekkende stoffen en hinder zoals prikkende ogen, slijmvorming, hoofdpijn en misselijkheid. Ook is er nog een toxisch effect als kwik in de omgeving wordt verspreid. Verbranden in de open lucht kan tevens leiden tot lucht-, water- en bodemverontreiniging en geeft overlast door rook, roet en stank. Op de ‘ladder van Lansink’ (waarin de voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalstoffen is beschreven) staat verbranden op de één na onderste plaats. Het verbranden van afvalstoffen is het zg. ultimum remedium. Organisch afval kan beter worden gecomposteerd, rest- of snoeihout kan – door het te versnipperen – beter worden hergebruikt.

In totaal vijf vreugdevuren als erfgoed aangewezen

Naast Espelo staan ook Vreugdevuur Scheveningen, Vreugdevuur Duindorp, Vreugdevuur Voorburg-West, en Vreugdevuur Texel op de lijst van Nederlands Immaterieel Cultureel Erfgoed.

Vreugdevuur Scheveningen had dit jaar een hoogte van 33,42 meter en een volume van maar liefst 8695 m3. Van een oude lokale traditie is dit uitgegroeid tot een groot evenement met ruim 125.000 bezoekers uit binnen- en buitenland. Die bezoekers konden ook meegenieten van ruim 16 ton fijnstof.

Vreugdevuur Duindorp was 33,80 meter hoog en won daardoor de competitie met Scheveningen, ook wat betreft de vervuiling met eenzelfde hoeveelheid fijnstof.

Vreugdevuur Voorburg-West kent zo’n lange voorgeschiedenis van vechtpartijen, overlast en vernielingen, dat het diverse malen verboden werd. Om aan industriële pallets te komen maakt men afspraken met bedrijven. Met vervuilende dieseltrucks worden deze naar de plaats van bestemming gebracht. Wat heeft dat nog met immaterieel erfgoed te maken?

Bij het Vreugdevuur Texel wordt aan kinderen al het slechte voorbeeld gegeven, want zij zijn het die hier brandbaar materiaal verzamelen (en zich met roet insmeren).

Bij dit soort gelegenheden wordt ouderen en mensen met long- of hartproblemen aangeraden binnen te blijven, zich niet in te spannen, en desnoods meer medicijnen te nemen.

Wij begrijpen heel goed dat uw voorkeur bij het voordragen van projecten uitgaat naar zaken die een voorbeeldwerking hebben voor het levend houden van immaterieel erfgoed en die door hun inhoud, opzet en/of uitvoering dermate aansprekend zijn dat ze op landelijke schaal anderen (vooral ook jongeren) inspireren. Voor vreugdevuren is deze voorbeeldwerking absoluut niet wenselijk.

Ethisch toerisme

Aan cultureel erfgoed zit ook een commerciële kant: het betekent voor veel landen toerisme en vormt zo een groot aandeel in hun bruto nationaal product. Ook immaterieel cultureel erfgoed brengt veel toeristen op de been.

De Unesco geeft richtlijnen en aanbevelingen aan toeristische beleidsmakers en werkt in dit kader samen met de UNWTO (United Nations World Tourism Organization). De UNWTO hanteert een zg. Global Code of Ethics for Tourism: “Addressed to governments, the travel industry, communities and tourists alike, it aims to help maximise the sector’s benefits while minimising its potentially negative impact on the environment, cultural heritage and societies across the globe.”

Vuren in de open lucht lijken niet aan deze doelstelling te beantwoorden en er zijn dan ook maar weinig landen die dergelijke klimaat- en gezondheidsbedreigende tradities op hun nationale inventaris van immaterieel erfgoed hebben opgenomen.

Duitsland kent bv. het “Biikebrennen”, Vorarlberg (Oostenrijk) “Funkensonntag”. Ook deze evenementen krijgen inmiddels kritiek, omdat ze disproportioneel zijn uitgedijd.

Door opname op een lijst van erkende, waardevol geachte Nederlandse tradities wordt dit soort vervuilende activiteiten gelegitimeerd en gestimuleerd. Wij vragen u daarom hun plaats op de Nationale Inventaris opnieuw te bezien. Voortschrijdend inzicht is ook beschaving.

Over de schrijver